Egbert Dekkers wordt op 4 januari 1908 geboren in Zeeland, Noord-Brabant. Na zijn studie aan het seminarie van het bisdom 's Hertogenbosch wordt hij in 1935 tot priester gewijd en benoemd tot kapelaan van Rosmalen. Vanwege zijn artistieke talenten wordt hem door het bisdom de mogelijkheid geboden een kunstopleiding te volgen aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Hij volgt hier onder andere vrije schilderkunst bij Johannes Jurres en monumentale kunst bij Heinrich Campendonk.

Na zijn afstuderen bewoont hij samen met medestudent Jan Dijker het herenhuis ‘Hoogen Huizen' in Moergestel waarin beiden afzonderlijk een atelier hebben. Gekscherend worden ze door de dorpsbewoners het 'Moerglasstel' genoemd.

Egbert Dekkers legt zich vooral toe op vrije schilderkunst, muurschilderingen en glaskunst. De Openbaring van Johannes biedt hem, zoals zoveel monumentale kunstenaars in deze jaren inspiratie voor zijn voorstellingen. Een van zijn grootste werken is de muurschildering in de H. Hartkerk in Tilburg. Drie zomers lang werkt hij aan ‘het epos van Gods wonderlijke barmhartigheid'. Helaas is deze kerk samen met het groteske kunstwerk eind jaren zeventig onder slopershamers verdwenen.

In 1957 ontvangt hij de Provinciale Prijs voor Schone Kunsten van Noord Brabant voor zijn gehele oeuvre maar in het bijzonder voor zijn muurschilderingen in de kapel van de psychiatrische inrichting St. Anna in Venray en zijn gebrandschilderde raam in de parochiekerk van St. Anthonis.

In 1969 raakt Egbert Dekkers gedeeltelijk verlamd en is hij niet meer in staat tot het grote artistieke werk. In 1983 overlijdt hij.